De Japanse Bezetting buiten de Japanse kampen

Afkomst was het criterium om geïnterneerd te worden. Op een enkele totok na bleven alleen Indo-Europeanen met 50 % of meer Indonesisch bloed buiten de kampen. Er waren acht klassen van Indo-zijn waarop geselecteerd werd.

         
8 Maart 1942 capituleerde Nederlandsch-Indië voor de Japanners. Die brachten allerlei nieuwe maatregelen met zich mee. 

Maar ook werden op meerdere plaatsen huizen leeggeroofd en Nederlanders aangevallen door Indonesiërs. Soms spontaan, soms  georganiseerd door criminelen die hun kans schoon zagen.

De Japanse jaartelling werd ingevoerd. Het jaar 1942 werd 2602. De verjaardag van Hirohito, de Japanse keizer, op 29 April, werd de belangrijkste feestdag. Christelijke feestdagen werden afgeschaft. 

Iedereen moest zich een pendaftaran aanschaffen. Een registratiebewijs à 150 gulden voor de mannen en 80 gulden voor de vrouwen. 

Aan de hand daarvan kon men al of niet geïnterneerd worden. September 1943 waren vrijwel alle volbloed Nederlanders, mannen, vrouwen, kinderen geïnterneerd. Totaal uiteindelijk 170.000. 

Buiten Java werden ook bijna alle Indo-Europeanen geïnterneerd. 

Op Java ging dat echter heel anders. Er bleven altijd nog 200.000 Nederlanders buiten de Japanse kampen (niet erkende Nederlandse kinderen 1.000.000?). Het kamp Kesilir in Oost-Java, was daarop een uitzondering. Daar zaten medio 1942, behalve 1400 totoks, toch al 1000 Indo-Europeanen gevangen. 

Op een enkele totok na bleven alleen Indo-Europeanen met 25 % of meer Indonesisch bloed buiten de kampen. Velen wilden solidair blijven en gingen mee het kamp in. Anderen voerden gefingeerde Indonesische voorouders op om er buiten te blijven. 

Weer anderen konden niet meer in eigen levensonderhoud voorzien of het werd hen te gevaarlijk en zij gingen alsnog vrijwillig het kamp in. In 1943 ging bij een strenge herwaardering van het Indo zijn een tweede golf Indo-Europeanen de kampen in. Daar werd men vaak als van lager niveau, niet-loyaal en concurrent verwelkomd.

Alle Europese scholen waren inmiddels gesloten. Op de Indonesische scholen werd het onderwijs aangepast. Veel verscheurde gezinnen. Want de vader was tòch vaak in een kamp terechtgekomen. 

Ook de Ambonese en Menadonese KNIL militairen werden weggevoerd. 

En van mannen die in hun werk te vervangen waren door Indonesiërs werden velen na enige tijd toch ook ontslagen. Salarissen en pensioenen werden niet meer uitbetaald

Moeders en kinderen, meestal oudere meisjes, soms ook van 12,13 jaar ruilden kleding en meubilair voor voedsel tot er niets meer over was om te ruilen.

In 1943 werden in diverse grotere plaatsen steuncomités gevormd voor vrouwen van geïnterneerde militairen en arme Indo-Europeanen. Gaarkeukens ontstonden. 

In Batavia (Djakarta) waren meer dan 17.000 van de, voor de oorlog 25.000 mensen tellende Indo-Europese gemeenschap, hierop aangewezen. Vrijwel al deze instellingen moesten onder de dubbele druk van steeds schaarser en daardoor duurder wordende voedingsmiddelen en Japanse vijandigheid eind 1944 hun activiteiten staken.

Hoe zouden de mensen die hiervan afhankelijk waren de hongersnood die zich reeds in geheel Indonesië begon af te tekenen, overleefd hebben? Ook nog eens bedreigd door Japanner, politieman of rover.

  De Japanse bezetters probeerden de Indonesische bevolking voor zich te winnen. Als eerste werd in 1942 de Tiga-A (drie A)- beweging georganiseerd. Dat werd een grote mislukking. 

In maart 1943 startte de nieuwe beweging Putera (Pusat Tenaga Rakjat, het centrum voor Volkskracht), geleid door Soekarno, Hatta, Dewantoro en Mansoer. Zij moest de bevolking stimuleren vrijwillig dienst te nemen als heiho (hulpsoldaat) of zich te melden als romusha (werksoldaat). 

Ook hier weinig resultaat zodat de Putera begin 1944 opgeheven werd. De vrijwilligheid werd een verplichting. Al in oktober 1943 werd de Peta (Pembela Tanah Air, de beschermers van het vaderland), opgericht. De 35.000 leden kregen een militaire opleiding. De leden werden door de inheemse ambtenaren, de priyayi, voorgedragen. Een groot deel van de Peta officieren was uit de lagere adel afkomstig.

Meer succes hadden de Japanners bij de jeugd. In 1943 werden de Seinandan (jeugdkorps, 14 en 25 jaar) en de Keibodan (hulppolitie, 25 en 35 jaar) opgericht. De plusminus 600.000 leden van de Seinandan kregen een landbouwcursus, sport, Japanse taallessen en werden in het laatste oorlogsjaar ook militair geoefend.

De meer dan 1.280.000 Keibodan werden, oa. bij rijstleveranties, als hulppolitie ingezet onder controle van de politie. Zij werd vooral gebruikt om anti-Japanse elementen te elimineren maar stond wel onder het dorpshoofd en het Indonesische bestuur.

De Djawa Hokokai, de organisatie voor dienstbaarheid op Java, was sinds 1943 een overkoepelende organisatie. Behalve de bovengenoemde waren daarin ook opgenomen de islamitische organisatie Masjoemi, de Angkatan Moeda alsmede Chinese en Indo organisaties. 

Uit de Angkatan Moeda ontstond in september 1944 de Barisan Peloper, het voortrekkerskorps, 80.000 man, met Soekarno als commandant. 

Aan het einde van de oorlog beschikten de nationalisten over een strijdbaar kader. De Japanners wilden wel mee werken aan een onafhankelijkheid van Java alleen. Van een geheel onafhankelijk Indonesië wilden ze echter niet horen.

De Indo-Europeanen werden steeds meer onder druk gezet om met de Japanner samen te werken. Eerst op vrijwillige basis. Later een gedwongen assimilatie en integratie in de Indonesische samenleving. In de grote steden kwamen anti-Nederlandse Indo-comité's in de plaats van de opgeheven onderlinge steuncomités maar zij kregen er ook de functie van arbeidsbureau bij. Arbeid waarvoor nauwelijks werd betaald.

Ook werd voor de gehele bevolking, dus ook de Indo-Europeanen, het tonarigumi-stelsel ingevoerd. Verplichte wijkdiensten en een mogelijkheid tot controle van het dagelijks leven van de bevolking.

De Indo-Europeanen kwamen steeds meer in een geïsoleerde positie. Toen dat niet de door de Japanners beoogde medewerking opleverde werden ze vogelvrij verklaard. 

Niet-medewerkende en vijandige Indo-Europeanen werden eind 1944 naar landbouwkolonies gestuurd, o.a. Rowoseneng, Tohbandoeng, Moedjoe-moedjoe, Demak Idjo, alle op Midden-Java en Giesting op Sumatra. 

In de grote steden werden op dezelfde basis tehuizen ingericht. Bidara Tjina te Batavia, Indisch Bronbeek te Bandoeng, Tambakredjo te Soerabaja. Jongens van 15 jaar en ouder werden geronseld voor werkkampen, o.a. Gedoeng Haloe en Tjiomas. Te weinig eten en geen medische voorzieningen. 

Verplichte werkkampen als Soember Gesing en Halimoen resulteerden na drie maanden, de duur van het normale verblijf, in veel ziekten en ondervoeding. 

Geschat wordt dat er tengevolge van verzetsactiviteiten in totaal tussen de 6.000 en de 15.000 doden zijn gevallen.

  Er gebeurde tussen Japanners, Indo-Europeanen en Indonesiërs onderling nog meer.

Januari 1945 werden na razzia's in alle grote steden meer dan 1000 voornamelijk Indo-Europese jongens, maar ook oudere mannen en enkele vrouwen, gevangen gezet in de Glodok-gevangenis en in fort Ngawi (80 van de 350, respectievelijk 300 van de 700 overleefden het niet). Ook in Dampit bij Malang gebeurde dit.

In West-Borneo werd een burgerelite van onderwijzers, handelaren en bestuurders omgebracht. Het sultanaat van Pontianak werd bijna geheel uitgemoord. In Mandor, ten noorden van de stad Pontianak, staat een monument voor 1400 Chinezen, Dayaks en andere Indonesiërs.

Vervolging van Christenen en Islamieten door Japanners op Noord Celebes.

Vervolging van Christenen door Japanners en Mohammedanen op Ambon.

In Oost Indonesië werden 78 Christen predikanten en Islamitische goeroes vermoord.

Door de Japanners werden 400.000 romusha’s als slaven gebruikt. Daarvan kwam slechts 15 procent weer terug. Er wordt geschat dat er aan de Birmaspoorweg 200.000 omkwamen. 

Aan de Pakan Baroe-spoorlijn op Sumatra kwamen naast bijna 2500 krijgsgevangenen ongeveer 80.000 romusha's om. 

Op Java werd er in Zuid Banten een spoorlijn aangelegd naar de bruinkoolmijnen aldaar. Het werk bij de aanleg van de spoorweg en in de mijnen werd ook weer door romusha’s gedaan.

Een meedogenloze uitbuiting van land en volk, in dienst van de Japanse oorlogsinspanning, en een kwetsend en neerbuigend optreden. De aanvankelijk hartelijke ontvangst van de Japanners als Aziatisch broedervolk, als bevrijders, sloeg dan ook al snel om in onverschilligheid.

 'De japanner had niets wat onze ontroering kon wekken.' (Uit het verhaal: Een Japanner door Ajip Rosidi in Wisseling van de Wacht) en er ontstond zelfs actief verzet. Er waren onder andere de zogenaamde rijstopstanden

De voedselsituatie in Indonesië was door de Japanse ingrepen in de agrarische sector en de voedselverdeling overal in Indonesië zeer slecht. Dit en gebrek aan medicijnen lagen ten grondslag aan honger en ziekten. Het geboorteoverschot in Nederlands-Indië van voor de Japanse bezetting veranderde in die 3 ½ jaar in een sterfteoverschot van 2.000.000. 

In februari 1945 kwam een Peta bataljon in Blitar in verzet tegen de Japanners. Ook werd de gevangenis bestormd en de Indonesische gevangenen, meest misdadigers, werden vrijgelaten. De opstand kreeg daardoor steeds meer het karakter van een rampok-partij waarbij vooral de Chinezen het moesten ontgelden.

Een zeer onvolledige opsomming van gebeurtenissen. Buiten en binnen de kampen een gebrek aan voedsel, medicijnen en veiligheid. 

Daarbuiten was de Indische Nederlander op zichzelf aangewezen om te overleven. Vogelvrij, op zoek naar schaars voedsel, in een geïsoleerde situatie, in een constante sfeer van angst en dreiging van geweld.

15 Augustus 1945 capituleerde Japan.
 
  Verder naar de Bersiapperiode